houtkachel cv

houtkachel cv houtkachel cv Houtkachel CV houtkachel CV Houtkachel cv CV cv houtkachel houtgestookte kachel CV prity Prity PRITY allesbrander, gashaard, haard, oliekachel, straalkachel, verwarming brander, fornuis, haard, haardvuur, kachel, pit

kachel

haard, haardvuur, verwarming, vuur

kachel (n.f.)

keukenfornuis, komfoor, kooktoestel, verwarmingsketel

 phrases

De ijzeren kachel The Integral Dictionary & Wordnet

kachel (v. s.)

ustensile de cuisine destiné à cuire

toeter (zn) :
beneveld, beschonken, bezopen, dronken, in de lorum, in de olie, kachel, keil, ladderzat, lazarus, sikker, teut, zat
haard (zn) :
haardpartij, haardstede, haardvuur, kachel, open haard, stookoven
vuur (zn) :
brander, fornuis, haard, haardvuur, kachel, pit
haard (zn) :
gashaard, kachel, kolenhaard, oliehaard
stoof (zn) :
fornuis, kachel, kookkachel
dronken (bn) :
aangeschoten, beneveld, beschonken, bezopen, boven haar water, boven zijn water, in de lorum, in de olie, kachel, keil, ladderzat, lazarus, sikker, straalbezopen, teut, tipsy, toeter, toeterzat, topzwaar, zalig, zat
bezopen (bn) :
aangeschoten, beneveld, beschonken, dronken, kachel, keil, ladderzat, laveloos, lazarus, teut, toeter, zat
blauw (bn) :
aangeschoten, beneveld, dronken, kachel, keil, ladderzat, lazarus, sikker, teut, toeter

kachel 1 zn. ‘verwarmingstoestel’
Vnnl. met spijse ende dranck nv sitten wy by den cacgel oven ‘tegelkachel’ [1544; WNT], kakelstove, kacheloven [1573; Thes.], cacheloven [1591; WNT], kaeckel-oven [1599; Kil.], in de verkorte vorm cacchel ‘tegelkachel’ [1591; WNT], cachelsteenen, tot een cachel in de Latynsche schole ‘tegelstenen t.b.v. een kachel in de Latijnse school’ [1642; WNT]; nnl. ijzere kachgels [1770; WNT], gaskachels [1885; WNT vullen I].
Verkorting van kacheloven ‘tegelkachel’, ontleend aan Duits Kachelofen ‘id.’, met daarin een eerste lid Kachel ‘aardewerken tegel’, ontwikkeld uit Oudhoogduits kahhala ‘aardewerken pot’. Dit moet een leenwoord zijn geweest uit vulgair Latijn *cac(c)alus of *cac(c)ulus, klassiek Latijn cac(c)abus ‘kookpot’ of het verkleinwoord cac(c)abulus daarvan; cac(c)abus is ontleend aan Grieks kák(k)abos ‘id.’, van onzekere verdere herkomst maar misschien afkomstig uit een pre Indo-Europese substraattaal of een Semitisch leenwoord.
Het Nederduitse equivalent van Hoogduits Kachel is kakel, een vorm die sporadisch ook in het Vroegnieuwnederlands voorkomt. Uit het Nederduits ook nzw. kakelugn (ugn = ‘oven’) ‘tegelkachel’ [1562; SAOB].
De Oudhoogduitse betekenis ‘aardewerken pot’ leeft nog min of meer voort in Zwitsers-Duits kachel(i) ‘aardewerken schotel(tje)’, maar verouderde in het Middelhoogduits; in die periode ontstond de samenstelling kacheloven [13e eeuw; Pfeifer] voor een kachel waarvan de wanden bestonden uit holle aardewerken platen. Later waren dit ook wel vlakke platen, waardoor de betekenis van kachel verschoof naar ‘vlakke aardewerken plaat, tegel’. In het Nederlands werd de hele samenstelling kacheloven ontleend, maar trad al snel verkorting op tot het eerste lid kachel ‘kacheloven’. Met de voortschrijdende verwarmingstechniek breidde de betekenis van kachel zich uit tot ‘zelfstandig verwarmingstoestel van welk materiaal of volgens welke werking dan ook’. Zelfs de centrale verwarming wordt in het spraakgebruik nog wel als kachel aangeduid. De oorspronkelijke kacheloven heet nu tegelkachel.

keukenapparaat[Hyper.]

prity-wd-w29-d

Toont alle 4 resultaten

Cart
Your cart is currently empty.